Vanaf de hacienda maakte ik enkele wandelingen op de vulkaan. De paadjes bestonden uit heel fijn zand, bijna stof. Het uitzicht was wel geweldig mooi, tot over het Peninsula de Nicoya. De apen die we zagen (white faced capuchins), hadden het moeilijk. Ze waren in de kale takken op zoek naar iets eetbaars. Ik gunde hen van harte een flinke stortbui, maar die bleef uit.
Samen met mijn gids, een oude maar vitale man, bereikte ik het Nationale Park van de vulkaan. De krater van de vulkaan is dan nog zo'n vijf uur lopen, maar de kokende modderputten en zwaveldampkratertjes waren wel binnen loopafstand. En reukafstand.
De zwavelgeur kwam ons al tegemoet en die werd alleen maar sterker. Op verschillende plekken kwam vanuit het binnenste van de aarde kokende modder omhoog.

En de kleuren… Naast de kratertjes waar zwaveldamp uit omhoog steeg, lagen fluoriserend groene en gele stenen. Ademhalen was af en toe bijna onmogelijk, als de aarde net een flinke stoot zwaveldamp in mijn richting spuwde. Behoorlijk indrukwekkend! En ik kreeg pas echt het idee dat dit een levende vulkaan was, toen er zo'n zwavelwolk opsteeg uit een minikratertje midden in het wandelpad.
Tot slot kon ik nog genieten van een modderbad. De gids haalde met een stok hete modder uit een put, waarmee ik mezelf kon insmeren. Na afspoelen met vulkanisch verwarmd (zwavelhoudend) water had ik een heerlijk zacht babyhuidje. Dat een vulkaan tegelijk zo heet, gevaarlijk en mild kan zijn!